oudekerkgemeente

Leerdienst 15: Het nieuwe leven van een christen

In het gebed na de doopbediening en na de Avondmaalsbediening wordt er gebeden om geloofsgroei. Hoe staat het daar mee? Wat is dat eigenlijk? In de avonddienst van 23 augustus staan we hierbij stil.

Christus zegt: 'Wie in Mij blijft draagt veel vrucht.'

Nederlandse Geloofsbelijdenis
Artikel 24 Heiliging en goede werken

Wij geloven dat dit ware geloof, dat in de mens voortgebracht is door het horen van het Woord van God en de werking van de Heilige Geest, hem doet wedergeboren worden en tot een nieuwe mens maakt en hem doet leven in een nieuw leven en bevrijdt van de slavernij van de zonde. Daarom is er geen sprake van dat dit rechtvaardigend geloof de mensen zou koud maken voor een vroom en heilig leven. Integendeel, zonder dit geloof zullen zij nooit iets doen uit liefde tot God, maar alleen uit liefde tot zichzelf en uit vrees verdoemd te worden. Het is dan ook onmogelijk dat dit heilig geloof in de mens niets zou uitwerken. Wij spreken immers niet van een leeg geloof, maar van een geloof dat de Schrift noemt: een geloof dat door de liefde werkt [Gal. 5:6] en dat de mens beweegt om zich te oefenen in de werken die God in zijn Woord geboden heeft. Deze werken zijn, als zij voortkomen uit de goede wortel van het geloof, goed en voor God aangenaam, aangezien zij alle door zijn genade geheiligd zijn. Intussen tellen zij niet voor onze rechtvaardiging. Want wij worden door het geloof in Christus gerechtvaardigd, vóór wij goede werken doen. Anders zouden zij niet goed kunnen zijn, evenmin als de vrucht van een boom goed kan zijn voordat de boom goed is. Wij doen dan goede werken, maar niet om iets te verdienen (want wat zouden wij verdienen?). Ja, wij zijn aan God verplicht om goede werken te doen en niet Hij aan ons.

Aangezien Hij het is, die in ons werkt het willen en het volbrengen, naar zijn welbehagen [Filipp. 2:13]. Laten wij dan letten op wat geschreven staat: Wanneer gij alles gedaan zult hebben wat u bevolen is, zo zegt: wij zijn onnutte dienaren; wij hebben gedaan wat wij schuldig waren [Luc. 17:10]. Intussen willen wij niet ontkennen dat God de goede werken beloont; maar het is door zijn genade, dat Hij zijn gaven kroont. Verder, al doen wij goede werken, toch bouwen wij onze zaligheid daar niet op, want wij kunnen geen werk doen of het is besmet door ons vlees14 en ook strafwaardig. En al konden wij er één voortbrengen, dan is toch de gedachte aan één zonde genoeg om dat verwerpelijk te maken in Gods ogen. Zo zouden wij dan altijd in twijfel verkeren, heen en weer geslingerd, zonder enige zekerheid en onze arme gewetens zouden altijd gekweld worden, als zij niet steunden op de verdiensten van het lijden en sterven van onze Zaligmaker.